Nieuws

Praktijkgebieden


Expertise

Internationale investeringsarbitrage - Uitvoering van intracommunautaire ICSID gunningen


  • 24 februari 2020
  • Janson Nieuws
Cédric Alter en Su-Yi Leung
Internationale investeringsarbitrage - Uitvoering van intracommunautaire ICSID gunningen

Op 19 februari 2020 sprak het Hooggerechtshof van het Verenigd Koninkrijk  een langverwacht vonnis uit waarin de uitvoering van een intracommunautaire gunning ten gunste van Zweedse investeerders, de gebroeders Micula, geëist wordt. Het conflict legt het kernprobleem bloot van conflicten die ontstaan tussen enerzijds, internationale handhavingsverplichtingen van een lidstaat en anderzijds, zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht.

In december 2013, heeft het ICSID een vonnis uitgesproken in het voordeel van de gebroeders Micula tegen Roemenië. Roemenië werd een som van 791 miljoen lei (164 miljoen euro) geëist als compensatie voor breuk van beleggersbescherming. Zulke ICSID vonnissen zijn onderworpen aan een specifieke regeling aangezien ze bindend zijn voor de ondertekenende lidstaten en dus bijgevolg ook erkend en uitgevoerd moeten worden door hun rechterlijke instantie “alsof ze een finale uitspraak zijn van een rechtbank in die lidstaat” (Artikel 54, lid 1, ICSID Convention).

Desondanks herhaalde pogingen van de gebroeders Micula bij een nationale rechterlijke instantie (d.w.z. het Brits, Amerikaans, Belgisch, Frans, Zweeds en Luxemburgs Gerechtshof), zijn ze er tot dusver nog niet in geslaagd hun gunning tot uitvoering te brengen. Dit is gedeeltelijk te wijten aan de pogingen van Roemenië en de Europese Commissie om de uitvoering van het vonnis te voorkomen op grond van het schenden van de EU-wetgeving betreffende het verbod op staatssteun.

In maart 2015, heeft de Europese Commissie het besluit 2015/1470 aangenomen, waarin staat dat de betaling van de gunning door Roemenië, staatssteun vormde in de zin van artikel 107, lid 1, VwEU en onverenigbaar was met de EU-wetgeving. Dit besluit werd vernietigd door het Gerecht in juni 2019 op grond van onbekwaamheid ratione temporis om zijn macht uit te oefenen. Tegen die laatste uitspraak werd in beroep gegaan door de Europese Commissie en die is momenteel aanhangig voor het Gerechtshof.  

In dit geval oordeelde het Hooggerechtshof van het Verenigd Koninkrijk dat een schorsing van de procedure niet in overeenstemming was met zijn ICSID-verplichtingen om het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen. Verder oordeelde het Hof dat deze verplichtingen niet strijdig waren met de EU-wetgeving betreffende oprechte samenwerking, die niet zo ver ging dat zij de nationale rechter verplichtte een gunning stop te zetten op grond van een louter “voorwaardelijke en verregaande mogelijkheid” van tegenstrijdige beslissingen die in parallelle EU-procedures zijn genomen. 

Dit besluit benadrukt de spanning die er heerst tussen de internationale verplichtingen van een lidstaat onder de ICSID-overeenkomst en zijn verplichtingen onder EU-wetgeving. Dit besluit volgt ook de zaak Achmea, waarna de EU-lidstaten hebben bevestigd dat ze vastbesloten zijn om intracommunautaire investeringsarbitrage de kop in te drukken, onder meer door te voorkomen dat intracommunautaire gunningen ten uitvoer worden gelegd. (Meer hierover: C. Alter and Su-Yi Leung, ‘Post-Achmea Investment Treaty Arbitration : A departure from the EU-centric Approach’, in Liber Amicorum CEPANI, Kluwer, 2019, pp.333 to 358).

Cédric Alter & Su-Yi Leung


Contact

Brussel: + 32 2 675 30 30
Nijvel: +32 67 21 79 95
Gent: +32 9 240 77 20
Bergen: +32 65 22 10 00
Janson Logo
    © Copyright Janson 2020